De fout die in bijna elk huis terugkomt
Kunst hangt te hoog. Spiegels hangen te hoog. Wandlampen hangen te hoog. Het is met afstand de meest gemaakte fout bij het inrichten, en hij is bijna altijd terug te voeren op één moment: iemand staat op een trapje, houdt het werk tegen de muur en kijkt of het goed hangt. Vanaf dat trapje ziet 175 cm er laag uit, dus gaat de spijker tien centimeter hoger.
De rest van het jaar staat er niemand op een trapje. Dan zit je op de bank, loop je door de gang of lig je in bed, en hangt datzelfde werk boven je blikveld.
De correctie kost geen geld en geen nieuw meubel. Het is een kwestie van één maat per kamer bepalen en die vasthouden, en die maat is niet de plafondhoogte maar de hoogte van je eigen ogen in de houding die je daar het vaakst aanneemt.
Wat ooghoogte precies is
Voor een volwassene van gemiddelde lengte ligt ooghoogte staand tussen de 150 en 165 cm boven de vloer. Zittend op een bank met een zithoogte van 43 cm zakt dat naar ongeveer 110 tot 120 cm. Aan een eettafel, op een stoel met een zithoogte rond de 46 cm, zit je met je ogen rond 120 tot 125 cm.
Dat verschil van veertig centimeter tussen staand en zittend is waar het meeste misgaat, want het is precies de afstand waarmee kunst boven een bank gemiddeld te hoog hangt.
De internationale museumnorm legt het midden van een werk op ongeveer 145 tot 150 cm. Dat is een prima uitgangspunt voor een gang of een hal, waar je altijd staat en langsloopt. In een woonkamer waar je twee uur per avond zit, is diezelfde 150 cm te hoog.
Neem daarom per kamer de houding als vertrekpunt en niet de wand. Sta je er, dan werk je vanaf 150 cm. Zit je er, dan zak je naar 130 tot 140 cm voor het midden van een werk.
De woonkamer: je zit er, dus zak je
In de woonkamer geldt de zittende blik voor bijna alles wat aan de wand hangt.
Boven een bank betekent dat: de onderkant van het werk 15 tot 20 cm boven de rugleuning, en niet hoger. Bij een bank met een rughoogte van 73 cm komt de onderkant dan op ongeveer 90 cm en het midden van een werk van 80 cm hoog rond de 130 cm. Dat voelt op het trapje te laag en klopt zodra je gaat zitten. De volledige uitwerking daarvan staat in het stuk over wanddecoratie boven de bank.
Ook losse objecten in de kamer volgen die lijn. Een tafellamp van 65 cm hoog op een bijzettafel van 55 cm brengt de onderkant van de kap op ongeveer 95 cm en de lichtbron net onder de ooghoogte van iemand die zit. Precies daar hoort hij: hoger en je kijkt in het peertje, lager en de lamp verlicht alleen het tafelblad.
Wat er op een kast staat telt mee in dezelfde optelsom. Een dressoir van 80 cm hoog met een vaas van 40 cm erop komt uit op 120 cm, en dat is al bijna de zittende ooghoogte. Boven zo'n combinatie hoort geen tweede laag decoratie meer.
Boven een dressoir, een console en een sokkel
Bij een meubel tegen de wand verandert de rekensom, want dan hangt het werk niet vrij maar hoort het bij de kast eronder.
De maat die daar telt is de afstand tussen de bovenkant van het meubel en de onderkant van het werk: 20 tot 30 cm. Kleiner dan 20 cm en het lijkt op het meubel te rusten, groter dan 30 cm en de twee vallen uit elkaar in twee losse dingen.
Boven een dressoir van 80 cm hoog komt de onderkant van een spiegel daarmee op 100 tot 110 cm. Een spiegel van 80 x 120 cm reikt vanaf die onderkant tot ruim boven de 220 cm, en dat is te hoog voor de meeste plafonds van 260 cm; op zo'n meubel werkt een liggend of vierkant model beter dan een staand exemplaar. Meer over die keuze staat in het artikel over de juiste hoogte en maat voor een spiegel.
Voor een sokkel of een pilaar geldt de omgekeerde redenering: die brengt een object omhoog naar staande ooghoogte, en dat is de reden dat een klein beeld op een pilaar van 100 cm ineens telt als vol object in de kamer.
De eetkamer: één hoogte die iedereen kent
Boven de eettafel is de hoogte al lang vastgelegd: de onderkant van een hanglamp hangt 75 tot 85 cm boven het tafelblad. Bij een tafel van 76 cm hoog komt de onderkant van de kap dan op ongeveer 155 cm boven de vloer.
Dat werkt omdat je aan tafel zit met je ogen rond 120 cm: de lamp hangt boven je blikveld en toch laag genoeg om het blad te verlichten. Ga je staan, dan kijk je er net onderdoor. De uitzonderingen, zoals een hoog plafond of een lange tafel met twee lampen, staan in het overzicht over hanglampen boven de eettafel.
Wat aan de wand van de eetkamer hangt, volgt de zittende hoogte van de eetkamerstoel en komt dus rond de 135 tot 145 cm uit met het midden. Hangt er ook een klok, dan is die de uitzondering: die hangt hoger, omdat je hem vanaf elke plek in de kamer wilt kunnen zien. De maten daarvoor staan in een klok ophangen op de juiste hoogte.
De hal en de gang: hier sta je wel
De hal is de enige plek in huis waar de museumhoogte gewoon opgaat. Je loopt er, je staat er, en je zit er nooit.
Het midden van een spiegel of een lijst mag hier dus op 150 tot 155 cm. Bij een spiegel is er nog een tweede toets: de bovenkant moet minstens tien centimeter boven de kruin uitkomen van de langste huisgenoot, anders staat die zichzelf half af te snijden. Voor iemand van 1,90 m betekent dat een bovenrand op zeker 200 cm.
Wandlampen in een gang hangen lager dan mensen denken, meestal tussen 150 en 170 cm gemeten tot het midden van de lamp. Boven de 180 cm schijnt hij vooral op het plafond. De rest van die maten staat in het stuk over wandlampen plaatsen.
De slaapkamer: liggend, zittend en heel even staand
In de slaapkamer is de dominante houding liggend, en dat verlaagt alles.
Boven het hoofdeinde hangt kunst met de onderkant 20 tot 25 cm boven de bovenrand van het bed. Bij een hoofdbord van 110 cm komt dat neer op een onderkant rond 130 cm, wat vanuit bed goed leest en vanuit de deuropening nog steeds klopt.
Aan de wanden ernaast zak je verder: het midden van een lijst rond 130 cm, zodat het werk in beeld is als je in bed zit te lezen. Bedlampjes hangen met het midden op 110 tot 130 cm boven de vloer, afhankelijk van de hoogte van het matras; ze horen licht op het boek te geven en niet in je gezicht. Meer daarover in verlichting in de slaapkamer.
Een spiegel in de slaapkamer is de uitzondering die je wel op staande hoogte hangt, want daar kleed je je voor aan. Welke modellen op welke plek werken staat bij de spiegels.
Waar de regel niet opgaat
Er zijn vier situaties waarin de vaste hoogtes losgelaten mogen worden.
Bij een plafond boven de 300 cm zakt het hele beeld: een werk dat op 150 cm hangt oogt daar verloren, en dan mag het midden naar 160 tot 165 cm, of beter nog naar een groter formaat op dezelfde hoogte.
Bij een schuine wand vervalt de bovenmaat en telt alleen nog waar je hoofd niet tegenaan komt; die situatie staat uitgewerkt in zolderkamer met schuine wanden.
Bij een galerijwand wordt het totale vlak als één werk behandeld: het midden daarvan komt op de gekozen ooghoogte, en de losse lijsten schikken zich daaromheen. De opbouw daarvan staat in een galerijwand maken.
En in een huis met kinderen mag een deel van de kunst bewust lager, rond 100 tot 110 cm, in de kamer waar zij het meest zijn. De maat verschuift dan mee met de ogen waarvoor hij bedoeld is.
Voor alle twijfelgevallen werkt dezelfde controle. Plak een vel papier van het formaat van het werk op de gekozen hoogte, ga zitten waar je normaal zit en laat het een avond hangen. In de meeste gevallen zakt de definitieve hoogte daarna nog vijf tot tien centimeter ten opzichte van waar je hem eerst had bedacht.






