Ga naar hoofdinhoud

Zomervakantie: bestellingen geplaatst van 15 t/m 29 augustus verzenden we vanaf 31 augustus · showroom vanaf 27 augustus op afspraak, vanaf 28 september weer normaal geopend

Eigen bezorgservice · Veilig betalen · 5.0/5 reviews
Interiori by Noenoes DecoratiesInteriori by Noenoes Decoraties naar de homepage

Stylinggids

Mediterraan wonen: herkomst, materialen en kleur

Mediterraan wonen wordt meestal uitgelegd aan de hand van een sfeerbeeld: witte muren, een olijfboom, blauwe luiken. Interessanter is waar die beelden vandaan komen, want vrijwel alles wat de stijl herkenbaar maakt is ooit bedacht om een huis koel te houden. Wat er gebeurt als je diezelfde ingrediënten meeneemt naar een land met half zoveel zon, is een ander verhaal.

NNoenoes team5 min leestijd
Crèmekleurige hoekbank tegen een terracottakleurige wand met drie ronde spiegels, met sierkussens in bruintinten en een goudkleurige schelpvaas met droogbloemen op twee houten salontafels

De stijl is ontstaan als antwoord op hitte

Wat wij mediterraan wonen noemen is geen bedachte stijl maar een verzameling oplossingen voor een klimaatprobleem: hoe houd je een huis leefbaar bij 35 graden zonder elektriciteit.

Vandaar de dikke muren van kalksteen of leem, die overdag warmte opnemen en die pas 's nachts weer afgeven. Vandaar de kleine ramen aan de zonzijde en de diepe raamnissen, die de zon buiten de kamer houden. Vandaar de harde vloeren van terracotta of natuursteen, die koel blijven onder blote voeten, en het witte kalkpleister, dat licht weerkaatst in plaats van het op te nemen.

Ook de spullen volgen uit het klimaat. Zware gordijnen zijn er niet, want die houden de warmte binnen. Wol ligt er 's zomers niet, linnen wel, omdat het luchtiger is en vocht sneller afgeeft. Het meubilair is laag en beperkt in aantal, want het leven speelt zich buiten af.

Wat een Nederlands huis daarvan wel en niet kan overnemen

Onze omstandigheden zijn ongeveer het tegenovergestelde. De Bilt haalt rond de 1700 zonuren per jaar, Zuid-Spanje ruim 2800, en ons licht is bovendien vaker bewolkt en dus koeler en diffuser van kleur.

Dat verandert twee dingen. Ten eerste doet een hard, blauwwit kalkwit in Nederlands licht precies wat je niet wilt: het slaat om naar grijs zodra de zon achter een wolk verdwijnt. De oplossing is een wit met een gele of roze ondertoon, waardoor het ook op een grauwe dag warm blijft. Hoe je die ondertoon herkent staat in warme of koele ondertoon, en waarom je zo'n kleur eerst groot moet uitproberen in een kleurstaal op de muur.

Ten tweede is een koude tegelvloer bij ons negen maanden per jaar een nadeel in plaats van een verkoeling. De materialen kun je dus overnemen, de koelingslogica niet: leg een wollen kleed over het steen, hang wél gordijnen, en houd de ramen zo groot als ze zijn.

Kalk, terracotta en steen dragen het beeld

Het herkenningspunt van deze stijl zit in de oppervlakken, niet in de vormen. Alles is een beetje onregelmatig en niets glimt.

Kalkverf en leemstuc geven een wand die van dichtbij vlekkerig is en van veraf diep, omdat de kleur per laag varieert. Terracotta doet hetzelfde in een object: gebakken klei is poreus, verkleurt en verandert van toon zodra hij nat wordt. Travertijn hoort in hetzelfde rijtje thuis, met zijn open poriën en gelaagde tekening; een travertine dienblad van 30,5 bij 23 cm met drie bijpassende potjes laat op een salontafel precies zien waar het om gaat, want geen twee exemplaren hebben dezelfde tekening.

Textiel houdt het ruw en ongebleekt: linnen, katoen, jute, en wol in ongeverfde tinten. Een kussen Saphira van 60 bij 40 cm met een terracotta ondergrond brengt die aardetoon binnen zonder dat er een muur voor over hoeft. Hoe je die materialen in verhouding houdt zonder dat het rommelig wordt staat in materialen combineren.

Wat er niet in past is alles wat spiegelt: chroom, hoogglans lak, gepolijst zwart glas. Die materialen kaatsen licht scherp terug, terwijl de hele stijl draait om oppervlakken die het licht juist vasthouden.

Kleur komt uit de grond en uit de plant

Het palet is opvallend eenvoudig te onthouden omdat het letterlijk uit het landschap komt: de kleur van kalk, van klei, van olijfblad, van gedroogd gras en van de zee.

In de praktijk betekent dat een warme witte of zandkleurige basis, een tweede laag in terracotta, oker of olijfgroen, en één accent dat dieper is: kobaltblauw aan de Griekse kust, aubergine of roestbruin in Toscane. De verdeling werkt hetzelfde als elders, ongeveer 60 procent basis, 30 procent tweede toon en 10 procent accent, zoals uitgelegd in kleuren combineren met 60-30-10.

Het verschil met een Scandinavisch palet zit in de temperatuur en niet in de hoeveelheid kleur. Beide werken met weinig tinten; Scandinavisch wonen doet dat met koel grijs en berkenhout, mediterraan met gebroken wit en klei. Zet de twee naast elkaar en je ziet meteen dat het om dezelfde soberheid gaat, maar dan onder een andere zon.

Licht en schaduw horen bij elkaar

In een zuidelijk huis is schaduw geen gebrek aan licht maar een ontwerpmiddel. Luiken, pergola's, luifels en diepe raamnissen zijn er om het licht te breken, en de kamers die daardoor ontstaan zijn halfdonker en koel.

Bij ons hoeft dat niet, en toch is het het onderdeel dat mensen het vaakst overslaan als ze de stijl naspelen. Kalkwanden en klei komen namelijk pas tot leven bij strijklicht: licht dat schuin over een oppervlak valt en de textuur zichtbaar maakt. Zet daarom lampen laag en aan de zijkant in plaats van recht boven het midden, en gebruik een dimmer.

Overdag is het spel omgekeerd. Een lamel of een luik dat het zonlicht in banen over de vloer legt, doet in de zomer meer voor de sfeer dan welk object ook; welk middel voor het raam wat doet met warmte, verblinding en inkijk staat in zonlicht sturen.

De tafel is het middelpunt, ook binnen

De laatste en belangrijkste eigenschap is geen materiaal maar een gewoonte: in het hele Middellandse Zeegebied draait het huis om de tafel, en om lang zitten.

Praktisch levert dat een paar dingen op die je kunt overnemen. Een tafel die groter is dan het aantal bewoners rechtvaardigt, zodat er altijd twee stoelen bij kunnen. Stoelen die niet allemaal gelijk zijn. En een middenstuk dat eetbaar is of eruitziet alsof het dat is: fruit, brood, olie, een kan water. Een lage schaal werkt daarvoor beter dan een hoge vaas, omdat je eroverheen moet kunnen kijken; met een schaal Meadow van 31 cm doorsnede op een tafel van 200 cm houd je de zichtlijn tussen de twee lange zijden open. Meer maten liggen bij dienbladen en schalen, en hoe je zo'n middenstuk opbouwt staat in de eettafel stylen.

Buiten geldt hetzelfde met minder spullen: een tafel in de schaduw, één kan, één schaal, en verder ruimte om je bord neer te zetten. Voor de zomeruitvoering daarvan is de zomertafel buiten dekken de praktische versie.

Meer stylinginspiratie