Wat is bohemien wonen?
Bohemien is de enige woonstijl die van stapelen leeft. De meeste stijlen ontstaan door weg te laten; deze ontstaat door bij te leggen, en de samenhang komt niet uit een klein aantal objecten maar uit een kleurfamilie die overal terugkomt en uit materialen die er met de hand gemaakt uitzien.
Het woord komt van bohème, de naam die het negentiende-eeuwse Parijs gaf aan kunstenaars, muzikanten en reizigers die buiten de burgerlijke orde leefden. Hun kamers waren vol, niet omdat ze veel bezaten maar omdat alles bleef liggen: stoffen van reizen, meegebrachte objecten, boeken op de grond. De jaren zeventig hebben dat beeld opgepikt en er hangplanten en gehaakte plaids aan toegevoegd.
Rond 2015 kwam er een derde golf, en die verouderde binnen een paar seizoenen. Macramé aan de muur, pampasgras in een fles, een rond rieten object erboven: dat was een set, en een set is precies wat deze stijl niet verdraagt. Bohemien werkt alleen als het eruitziet alsof het in tien jaar is samengekomen, ook als je er twee maanden over hebt gedaan.
Waar japandi de leegte tussen objecten als onderwerp neemt, doet bohemien het tegenovergestelde: hier is de opeenstapeling zelf het onderwerp. Dat vraagt om een andere volgorde van inrichten, en die volgorde is van beneden naar boven.
Laag één: de vloer draagt de rest
Begin op de vloer, want dat is het grootste aaneengesloten vlak in de kamer en het enige dat je met één ingreep helemaal verandert. In een bohemien kamer ligt daar textuur en geen glanzend, kaal oppervlak.
Neem als basis een groot kleed dat rustig is van kleur maar niet vlak van structuur. Het vloerkleed La Gomera van 200 bij 300 cm bestaat uit 80 procent wol met een handgeknoopt reliëfpatroon en een poolhoogte van 1,5 cm, waarbij hoge en lage vlakken elkaar afwisselen. Dat reliëf doet hier het werk: je ziet beweging in het vlak zonder dat er een kleur bij komt die je later nog moet laten terugkomen.
Daarover mag een tweede, kleiner kleed. Leg het schuin, laat het over de rand van het eerste vallen en houd de looproute vrij. Twee kleden over elkaar is het snelste bohemien-signaal dat er bestaat, en het is meteen de plek waar het misgaat als allebei de kleden een uitgesproken dessin hebben. Eén van de twee is de ondergrond, de ander is het accent.
Een praktische grens: op een vloer met vloerverwarming wil je geen dubbele laag wol op de plek waar je de warmte nodig hebt. Leg de tweede laag dan bij de leeshoek en niet midden in de kamer.
Laag twee: textiel dat niet uit één serie komt
Kussens en plaids zijn de laag waar de meeste mensen beginnen en waar de stijl het snelst kantelt naar rommelig. Het aantal is daarbij zelden het probleem. Het gaat erom dat ze uit verschillende hoeken komen en toch familie van elkaar zijn.
Familie betekent hier: dezelfde ondertoon. Een sierkussen van 50 bij 30 cm met een getuft bloemmotief in roze, oranje en fuchsia hoort bij terracotta, oker en crème omdat al die tinten warm zijn. Zet er een koel blauwgrijs kussen naast en de hele bank valt uit elkaar, hoe mooi dat kussen op zichzelf ook is. Leg het getufte exemplaar bovendien vóór een groter effen kussen; reliëf komt pas tot zijn recht als er iets glads achter zit.
Formaten mogen verschillen, en dat is het punt. Een langwerpig kussen tegen een vierkant, een grof geweven plaid over een gladde bank, een poef van 45 cm doorsnee en 47 cm hoog met een labyrintpatroon als zitplek die zelf al een dessin meebrengt. Hoeveel er uiteindelijk op een bank passen staat in hoeveel sierkussens op een bank, en welke dessins naast elkaar kunnen in patronen mixen.
Wat hier niet werkt is een complete serie uit één collectie. Vier kussens uit dezelfde lijn lezen als een showroom, en dat is precies het gevoel dat bohemien probeert te vermijden.
Laag drie: wat groeit en wat aan de wand hangt
De derde laag is de laag die de kamer levend maakt: planten en textiel aan de muur. Zonder die twee blijft een bohemien interieur een verzameling stoffen op meubels.
Planten zet je in groepen op verschillende hoogtes, niet netjes verdeeld over de kamer. Een hoge plant op de grond, een middelhoge op een kruk of poef, iets hangends op een kast: samen worden ze één massa in plaats van losse potten. Welke echte en kunstplanten je daarbij door elkaar kunt gebruiken staat in planten en kunstplanten combineren.
Aan de wand hoort in deze stijl textiel en geen rij lijsten. Een geweven kleed, een oude quilt, een stuk stof aan een lat: dat brengt geluidsdemping en een zachte rand die een fotolijst nooit geeft. Er is een apart stuk over wandkleden en textielkunst met de maten die op een gemiddelde wand kloppen.
Er zit één beperking aan die groene laag, en die is bouwkundig. Bohemien komt uit warme, lichte huizen met hoge ramen, en een Nederlandse woonkamer op het noorden houdt lang niet alle soorten in leven. Kies daar planten die in halfschaduw overleven, of vul de donkerste hoek met een kunstexemplaar en zet het levende materiaal bij het raam. Een hoek met vier kwijnende potten leest namelijk niet als verzameld maar als verwaarloosd.
Laag vier: veel kleine lichtbronnen, geen grote
Bohemien licht komt van laag en van meerdere kanten tegelijk. Eén sterke plafondlamp maakt van alle gelaagdheid in één klap een platte foto, omdat de schaduwen dan overal dezelfde kant op vallen.
Werk daarom met kleine bronnen op verschillende hoogtes: een lamp op de grond achter een plant, een tafellamp op een lage kast, kaarslicht op de salontafel. Vlam achter glas is in deze stijl bijna verplicht, en dan het liefst glas met een structuur erin. Het windlicht Ariana van 22 cm breed en 25 cm hoog heeft panelen van wit glas in een messing frame, en dat frame tekent zich bij kaarslicht af op de wand erachter. Dat schaduwspel is een decoratielaag die je overdag niet ziet en 's avonds gratis krijgt.
Houd alle lampen in dezelfde ruimte wel op dezelfde kleurtemperatuur. Warm licht van 2700 kelvin past bij deze stijl; één koele lamp ertussen verraadt zich meteen tussen al dat warme textiel.
Metalen mogen hier wél door elkaar, in tegenstelling tot de meeste andere stijlen. Messing naast zwart ijzer naast een oud koperen bakje is precies wat een verzamelde kamer laat zien; het enige dat je vermijdt is chroom, omdat dat spiegelt in plaats van te gloeien. Andere modellen staan bij de kandelaars en windlichten.
Waar meer-is-meer alsnog omslaat
Er is precies één grens, en die is ruimtelijk in plaats van getalsmatig: er moet in de kamer minimaal één vlak leeg blijven. Een lege wand, een leeg deel van de vloer of een leeg tafelblad, zodat het oog een plek heeft om te landen.
Zonder dat rustpunt wordt de kamer vermoeiend, en dat merk je niet op een foto maar na een avond erin zitten. Leeg laten is ook inrichten gaat over hoe je zo'n vlak bewust vrijhoudt terwijl de rest vol is.
De tweede grens is praktisch. Al dat textiel vangt stof, en getufte en grof geweven stoffen laten dat minder makkelijk los dan glad materiaal. Reken op een korte beurt met de zachte borstel elke twee weken, en niet op de wasmachine: veel van deze weefsels vervilten of trekken scheef. Wat per stof wel en niet kan staat in sierkussens en plaids onderhouden.
En dan de vraag die er echt toe doet bij deze stijl: wat betekent het spul. Een bohemien kamer die alleen uit gekochte objecten bestaat, blijft een decor. Het stuk textiel van een reis, de schaal van je oma, het kleed dat je te duur vond en toch meenam: dat zijn de dingen waar de rest omheen mag groeien.
Bekijk alle sierkussens en plaids
Bekijk de collectie





