Zes centimeter per jas
Een jas op een hangertje neemt aan de roede vijf tot zes centimeter in beslag. Een dikke winterjas of een gewatteerde parka acht tot tien. Dat ene getal beslist of een halkast werkt of niet: een roede van 60 cm hangt in de zomer vol met tien jassen en in januari met zes.
Reken dus per huisgenoot met twee jassen die het hele jaar hangen plus één seizoensjas, en tel op. Een gezin van vier zit daarmee al snel op tien tot twaalf jassen, oftewel 70 tot 90 cm roede in de winter. Dat is meer dan de meeste halkasten bieden.
Hangt alles aan haken, dan gelden andere maten. Houd minstens 15 cm hart op hart aan tussen twee haken, en liever 20, anders drukt de ene jas de andere plat en gaat er niets meer af zonder trekken. Een kapstokplank van 80 cm heeft dus vier haken, geen zeven.
De hoogte is de derde maat. Haken voor volwassenen zitten goed op 170 tot 175 cm; daaronder blijft de onderkant van een lange jas vrij van de vloer. Wonen er kinderen, dan hangt een tweede rij op 110 tot 120 cm, en die rij doet meer voor het opgeruimd houden van een hal dan welke kast ook.
Voor diepte geldt een simpel onderscheid. Een kast waarin jassen op hangers hangen heeft 60 cm nodig, omdat een schouderhanger 42 tot 45 cm breed is en er nog lucht bij moet. Een wandkapstok met haken heeft aan 12 tot 15 cm genoeg, plus de dikte van de jassen zelf. In een gang van 110 cm breed scheelt dat het verschil tussen langslopen en langswringen; de vuistmaten voor die doorloop staan in loopruimte in huis.
Past er helemaal geen kast, dan is een staande kapstok de oplossing met de kleinste voetafdruk. De kapstok Darwy is 172 cm hoog bij een diepte van 42 cm, en die 42 cm is inclusief de haken die naar buiten steken. Een lagere variant zoals de Balley van 130 cm neemt 44 cm in en past onder een schuine wand of een trapgat waar 172 cm niet uitkomt. Meer staande modellen naast elkaar zie je bij kapstokken.
Hoe diep een schoenenkast moet zijn
Een herenschoen in maat 45 is buitenwerks ongeveer 32 cm lang. Dat getal bepaalt alles wat daarna komt.
Zet je schoenen recht vooruit op een plank, dan heb je 35 cm kastdiepte nodig, en dat is voor een hal met 110 cm breedte vaak te veel. Kantelvakken lossen dat op: de schoenen staan schuin met de neus omhoog, en dan is 24 tot 28 cm diepte genoeg. Dat scheelt zeven tot tien centimeter gangbreedte, wat je bij elke passage merkt.
Per paar op een plank reken je 15 tot 18 cm breedte voor damesschoenen en rond 20 cm voor herenschoenen. Een kast van 80 cm breed met drie legplanken bergt dus ongeveer twaalf tot vijftien paar, mits het allemaal lage schoenen zijn.
Laarzen doen niet mee aan die rekensom. Een enkellaars heeft een vakhoogte van rond 25 cm nodig, een hoge laars 40 tot 45 cm, en die past in geen enkel standaard schoenenrek. Houd voor laarzen liever één breed vak vrij onderin, of berg ze op de kant waar ze rechtop kunnen blijven staan.
Nog twee maten die vaak vergeten worden. De onderste plank hangt idealiter 12 tot 15 cm boven de vloer, zodat je eronder kunt vegen en natte schoenen kunnen drogen. En laat boven de bovenste plank 5 cm lucht, anders krijg je een paar er niet meer tussenuit zonder te kantelen.
Zitten en aantrekken hoort bij dezelfde plek. Een bankje van 46 cm hoog werkt daarvoor, dezelfde hoogte als een gewone stoel. Het bankje in bouclé van 153 bij 48 bij 46 cm is voor een kleine hal aan de lange kant, maar het laat wel zien waar je op moet letten: een zitting zonder armleuningen, en genoeg vrije hoogte eronder om er een mand of twee paar schoenen weg te schuiven.
Wat in het zicht blijft en wat achter een deur gaat
De praktische verdeling is dat wat je deze week draagt in het zicht hangt en de rest achter een deur verdwijnt. In de meeste huishoudens komt dat neer op ongeveer een kwart zichtbaar en drie kwart weg.
Dat kwart moet er dan wel netjes uitzien, en dat lukt met één regel: alles wat zichtbaar hangt of staat hoort bij elkaar in kleur. Vier jassen in donkere tinten aan een haakrij leest als één vlak; dezelfde vier in rood, geel, marine en beige leest als rommel. Hetzelfde geldt voor de schoenen die buiten de kast blijven staan: houd het bij twee paar per persoon en zet ze in één lijn tegen de plint.
Kleine spullen zijn de echte boosdoener in een hal. Sleutels, oordopjes, pasjes, een hondenriem. Geef die één bakje in plaats van drie plekken. Een gesloten doosje zoals de opbergdoos Jett van 16 bij 16 bij 8 cm past op een smalle console of een plank en houdt het zicht rustig, terwijl een open schaaltje binnen een week vol ligt met bonnetjes. Meer bakken en dozen in bijpassende maten staan bij opbergen, en hoe je zichtbaar opbergen netjes houdt staat in opbergen in het zicht.
Seizoenswissel maakt de rest van het werk. Twee keer per jaar de winterjassen en de laarzen naar een kast elders in huis en je hebt in de hal ineens de helft van de ruimte terug, zonder iets te kopen.
Als de hal echt te klein is
Onder de tien vierkante meter, en zeker in een gang van 100 tot 120 cm breed, houdt het rekenen op en begint het schuiven.
Ga dan de hoogte in. Een plank op 200 cm boven de kapstok is prima bereikbaar met een opstapje en verdwijnt visueel omdat je er niet naar kijkt; daar staan de dozen met wanten, zwemspullen en reserve. Onder de kapstok, op vloerniveau, past een lage mand of een schoenenrek van 30 cm hoog. De middenzone tussen 60 en 170 cm houd je vrij voor de jassen zelf.
Kijk daarna naar wat er níet in de hal hoeft. Een tweede kast, een grote spiegel op de vloer, een tafel met poten: ze eten allemaal doorloop. Een spiegel aan de wand geeft dezelfde winst zonder vloeroppervlak, en op welke hoogte die hangt staat in een spiegel ophangen.
De rest van de inrichting van een entree, van console tot verlichting, staat in de kapstok en de entree. Voor de trucs die een smalle gang optisch breder maken is er een smalle hal ruimer laten lijken.



