Ga naar hoofdinhoud

Zomervakantie: bestellingen geplaatst van 15 t/m 29 augustus verzenden we vanaf 31 augustus · showroom vanaf 27 augustus op afspraak, vanaf 28 september weer normaal geopend

Eigen bezorgservice · Veilig betalen · 5.0/5 reviews
Interiori by Noenoes DecoratiesInteriori by Noenoes Decoraties naar de homepage

Stylinggids

Warm minimalisme bestaat, maar niet door de kleur die je kiest

Warm minimalisme is inmiddels een van de meest gebruikte termen in interieurland, en het advies dat erbij hoort gaat bijna altijd over kleur: warm wit, eiken, bouclé, travertine. Dat advies lost het probleem niet op. Hieronder waarom niet, en wat volgens mij wel bepaalt of een sober interieur prettig aanvoelt of kil blijft.

NNoenoes team5 min leestijd
Ovale salontafel met marmeren blad waarop één goudkleurig windlicht met brandende kaars staat, met op de achtergrond een donker dressoir in een lichte kamer

De term is bedacht om een probleem toe te dekken

Warm minimalisme kwam in omloop toen duidelijk werd dat mensen strakke interieurs prachtig vonden op foto's en er thuis niet in konden aarden. De belofte is aantrekkelijk: je mag alles houden van het rustige, opgeruimde beeld en je hoeft de kilte er niet bij te nemen. Er hoeft alleen wat warms bij.

Die belofte klopt half. Wat er standaard bij komt is namelijk vrijwel altijd kleur en materiaalkeuze, en dat is precies de verkeerde knop.

Mijn stelling in dit stuk: een sober interieur wordt niet warm van welke tint je op de muur zet. Het wordt warm van twee dingen die met kleur weinig te maken hebben, namelijk waar het licht 's avonds vandaan komt en hoeveel oppervlak in de kamer zacht is. Alles daarna is afwerking.

Neem twee woonkamers van dezelfde grootte. De eerste is helemaal in gebroken wit en eiken, met bouclé op de bank en een travertine bijzettafel, verlicht door zes inbouwspots in het plafond. De tweede heeft koelgrijze wanden, een kale houten vloer en drie lampen op tafelhoogte. Om acht uur 's avonds in november is de tweede de kamer waar je gaat zitten. Iedereen die dit leest heeft beide varianten weleens meegemaakt, meestal de eerste in een showroom en de tweede bij iemand thuis.

Beige is geen temperatuur

Het advies dat overal terugkomt luidt: kies warm wit in plaats van koel wit, breng hout in, voeg textuur toe, gebruik natuursteen met tekening. Dat is niet fout. Het doet alleen iets anders dan het belooft.

Kleur en textuur bepalen hoe een kamer op een foto oogt en hoe hij bij daglicht leest. Ze geven een neutraal interieur diepte, en zonder die diepte wordt een beige kamer inderdaad vlak; hoe je die gelaagdheid opbouwt staat in neutrale kleuren combineren. Diepte is echter niet hetzelfde als warmte. Diepte zie je, warmte voel je, en die twee lopen in de meeste adviezen ongemerkt door elkaar.

Dat kleuradvies domineert heeft een simpele reden: het is het makkelijkst te fotograferen en het makkelijkst te verkopen. Een verfstaal en een houtmonster passen op één beeld. Vier lichtpunten op de juiste hoogte passen op geen enkel beeld, want die zie je pas als je in de kamer staat en het buiten donker is.

En dan is er nog de omgekeerde proef. Een bibliotheek met donkergroene wanden, een oud kleed en twee schemerlampen wordt door bijna iedereen warm genoemd, terwijl er geen enkele beige tint aan te pas komt. Kleur is dus niet de bepalende factor, hooguit een versterker.

De eerste knop: hoeveel licht er onder ooghoogte brandt

Een kamer die alleen van bovenaf wordt verlicht, voelt koel, ongeacht de kleur van de muren. Licht van het plafond komt van dezelfde kant als daglicht en wordt door je hoofd gelezen als openbaar licht: kantoor, winkel, wachtruimte. Licht dat vanaf ongeveer een meter hoogte komt, wordt gelezen als iemand die thuis is.

In een sober interieur is dat des te belangrijker, want er staat weinig dat licht kan opvangen. Hoeveel lichtpunten een woonkamer redelijkerwijs nodig heeft staat uitgewerkt in een woonkamer verlichten met meerdere lichtpunten; het aantal ligt hoger dan de meeste mensen denken en zelden onder de vier.

De kap doet meer werk dan de voet. Een tafellamp van 78 cm met een gerookte glazen voet en een crème linnen kap van 40,5 cm doorsnee verspreidt het licht door de stof heen, waardoor de kap zelf oplicht en de kamer een tweede, zachte lichtbron krijgt. Een metalen of glazen kap doet dat niet: die werpt een scherpe cirkel op de vloer en laat de rest van de kamer donker. Dat verschil merk je in een minimalistische kamer harder dan in een volle, omdat er geen kast of gordijn is die het licht opvangt.

Verder: warm wit rond 2700 kelvin, en dimbaar waar het kan. Twee lampen op halve sterkte doen meer dan één op vol vermogen, want dan zijn er twee plekken in de kamer waar iets gebeurt.

De tweede knop: hoeveel vierkante meter zacht is

In een strak interieur is bijna alles hard. Stuc, hout, steen, glas, metaal. Geluid kaatst, voetstappen klinken, en de kamer geeft niets terug aan wie erin zit. Dat is een groot deel van wat mensen kil noemen zonder er een woord voor te hebben.

Textiel is het enige materiaal dat geluid opneemt én uitnodigt om aan te raken. Het mooie voor wie sober wil wonen: je hebt er geen extra objecten voor nodig, alleen meer oppervlak. Een vloerkleed van 200 bij 300 cm in wol en katoen legt zes vierkante meter zacht in een kamer zonder dat er iets bij komt om naar te kijken. Acht kussens doen samen minder en zien er drukker uit.

Datzelfde geldt op de bank. Twee grote kussens van 50 bij 50 cm in bouclé of linnen veranderen hoe de bank aanvoelt; vijf kleine veranderen alleen hoe hij eruitziet en liggen bovendien binnen een week op de grond. Een bouclé kussen van 50 bij 50 cm in ivory cream is daarbij eerder een oppervlak dan een decoratie, en zo hoort het in dit soort interieurs ook. Wat er verder aan formaten en weefsels is, staat bij de sierkussens en plaids.

Waar deze stelling niet opgaat

Er zijn kamers waarin licht en textiel het niet redden. Een woonkamer met een plafond van vier meter en een glazen gevel is bouwkundig koud, en daar zijn lampen en kleden pleisters. In zo'n ruimte moet je eerst het glasoppervlak aanpakken en het plafond visueel omlaag halen, en pas daarna over lampen praten.

De tweede uitzondering is belangrijker. Een kamer die leeg is omdat je nog niet klaar bent, is niet koud maar onaf, en daar helpt geen enkele schemerlamp tegen. Het verschil tussen bewust leeg en toevallig leeg staat uitgewerkt in leeg laten is ook inrichten, en dat verschil is bijna altijd de echte diagnose bij een interieur dat kil aanvoelt.

Tot slot doe ik met dit stuk twee stijlen tekort die vaak in één adem met warm minimalisme genoemd worden. Japandi en wabi-sabi zijn geen soberheid met een warm laagje eroverheen; die hebben een eigen verhaal over ambacht, onregelmatigheid en veroudering, en daar is materiaalkeuze wél de kern. Ga je die kant op, dan begin je dus terecht bij het materiaal en niet bij de lampen.

Voor de gewone Nederlandse woonkamer die strak is ingericht en niet lekker zit, blijft mijn volgorde staan: eerst de lampen, dan het textiel, en pas als laatste de vraag welk beige.

Meer stylinginspiratie