"Twee kleden in één kamer wordt altijd rommelig"
Dat gebeurt alleen als beide kleden hetzelfde willen zijn. In een doorzonkamer met een zithoek en een eettafel liggen er in de praktijk vaak al twee, en niemand vindt dat vreemd zolang duidelijk is welke van de twee de hoofdrol speelt.
Kies daarom eerst welk kleed het belangrijkste is, en dat is bijna altijd het kleed onder de zithoek. Dat is de plek waar mensen het langst zitten en waar de kamer zijn zwaartepunt heeft. Een royaal kleed als het wollen Mehran in gebroken wit van 300 bij 400 draagt zo'n zone in zijn eentje; alles wat er verderop in de kamer nog bij komt, is per definitie het tweede kleed.
Het tweede kleed dient een kleinere zone en mag dat ook laten zien. Onder een leesstoel bij het raam, onder een bureau in de hoek, of in het stuk tussen de eettafel en de keuken. Zodra beide kleden even groot en even opvallend zijn, gaat je oog heen en weer en dat is het gevoel dat mensen "rommelig" noemen.
Er is één situatie waarin dit echt misgaat, en dat is de kamer met twee kleden en verder niets wat de zones scheidt. Zonder bank, kast of tafel die de grens markeert, worden het twee losse vlakken op een lege vloer.
"Ze moeten dezelfde kleur hebben"
Dat is de meest hardnekkige aanname en hij levert juist het saaiste resultaat op. Twee identieke kleden in één ruimte lezen als vloerbedekking die halverwege stopt.
Wat wel telt is de ondertoon. Blijf binnen één familie, dus warm bij warm en koel bij koel, en laat vervolgens iets anders verschillen: het dessin, de pool, de vorm. Het Odin in bruin met een zeshoekig reliëf van 200 bij 290 en een egaal kleed in dezelfde warme tint kunnen prima in één kamer, want de één brengt het patroon en de ander de rust.
Wat je wel vermijdt, is twee kleden die allebei een sterk patroon hebben en allebei glanzen. Viscose heeft van zichzelf een lichte glans die met de lichtinval meebeweegt, en twee van die vlakken in één blikveld gaan met elkaar concurreren. Ligt er al zo'n kleed, kies het tweede dan mat.
Welke vezel welk effect geeft en waar je op moet letten bij slijtage staat in welk materiaal je kiest voor een vloerkleed.
"Er moet vloer tussen de twee kleden zichtbaar blijven"
Niet per se. Kleden mogen elkaar overlappen, en in een kamer met een lange loopstrook is dat vaak de enige manier om beide zones op hun plek te houden.
Wat wel telt is de volgorde en het hoogteverschil. Een dik kleed hoort bovenop een dun kleed te liggen en nooit andersom; leg je een dunne mat over een dikke pool, dan gaat die golven en trap je hem binnen een week scheef. Het Mehran heeft een poolhoogte van 3 cm, dus daar leg je niets overheen.
Liggen ze naast elkaar, houd dan een strook vrije vloer aan waar je normaal loopt. Een naad tussen twee randen precies in de looproute is de plek waar iedereen struikelt en waar de randen omkrullen. Schuif de kleden dus liever een halve meter uit elkaar dan tien centimeter.
En let op de richting van de vloerplanken. Twee kleden die allebei schuin ten opzichte van de planken liggen, maken een kamer onrustiger dan twee kleden die de lijn van de vloer volgen.
"Het tweede kleed mag kleiner en goedkoper"
Kleiner meestal wel, want de zone is kleiner. Maar de maat volgt de meubelgroep waar het kleed onder ligt, en die vergelijk je niet met het eerste kleed.
Een leeshoek met één fauteuil en een lampje heeft genoeg aan een kleed van rond de 160 bij 230, zoals het hoogpolige grijze kleed in shaggy. Daar staat de stoel met de voorpoten op en dat is precies het gevoel dat je wilt: één zitplek die op zichzelf een plekje is. Onder een eettafel is diezelfde maat te klein, want daar moet je de stoelen naar achteren kunnen schuiven zonder dat de poten van het kleed af komen. Hoe je dat per meubelgroep uitrekent staat in de maat van een vloerkleed kiezen.
Op kwaliteit bezuinigen bij het tweede kleed pakt vaak verkeerd uit. Het tweede kleed ligt namelijk regelmatig op de drukste plek van de kamer: bij de eettafel, in de doorloop naar de keuken, bij de deur. Daar krijgt het meer voetstappen te verwerken dan het kleed onder de bank, waar mensen vooral zitten.
In de slaapkamer speelt dit weer anders, want daar ligt de vraag meestal bij één kleed dat half onder het bed door loopt. Wat daar de goede maat is, staat in een vloerkleed onder het bed.
"In een kleine kamer kan het niet"
Juist in een kleine kamer doen twee kleden iets nuttigs: ze maken van één ruimte twee bruikbare hoeken. Een woonkamer van vier bij vier met alleen een bank en een tafel voelt als één blok; met een apart vlak onder de werkplek in de hoek krijgt die hoek een eigen functie.
De beperking zit in de deuren. Meet de vrije hoogte onder elke deur die over het kleed heen draait en vergelijk die met de dikte van het kleed. Een kleed van 2,5 cm dik past niet onder een deur die met een centimeter speling hangt, en dat merk je pas als hij vastloopt.
Een tweede kleed hoeft trouwens niet rechthoekig te zijn. Het ovale Bayon in beige met een boogpatroon breekt de rechte lijnen van een klein vertrek, en werkt goed onder een ronde tafel. Wanneer een ronde of ovale vorm de betere keuze is, staat in rond of rechthoekig.
Wanneer je het beter bij één kleed houdt
Er zijn drie gevallen waarin een tweede kleed niets oplost.
De kamer heeft maar één echte zone. Staat alles rond de bank en gebeurt er verder niets, dan legt een tweede kleed een grens waar geen grens is, en dat merk je omdat je erover heen loopt zonder dat je ergens komt.
De vloer heeft zelf al een sterke tekening. Een visgraatvloer of een tegelvloer met patroon is al een laag; twee kleden erbovenop maken er drie van, en dan wint niemand.
De ruimte is zo smal dat de kleden onvermijdelijk in elkaars verlengde liggen. In een gang of een smalle uitbouw zie je ze dan altijd samen in één blik, waardoor het verschil in maat en dessin er als een fout uitziet in plaats van als een keuze. Kies daar één lang kleed.
Wil je vergelijken welke maten en materialen er zijn voordat je beslist, kijk dan bij de vloerkleden en zet de twee zones naast elkaar op papier voor je bestelt.
Bekijk alle vloerkleden
Bekijk de collectie


