Hoeveel spots een kamer nodig heeft
Reken op ongeveer één inbouwspot per anderhalve vierkante meter plafond, bij een standaard plafondhoogte van 260 cm. Een woonkamer van 30 m² komt daarmee op zo'n twintig spots als je het hele oppervlak gelijkmatig wilt verlichten.
Dat getal is precies de reden dat de vraag beter anders gesteld kan worden. Twintig spots in één woonkamer geeft je een egaal verlicht vlak zonder enige gradatie, en dat is het lichtbeeld van een kantoor.
Voor een woonkamer werkt een lagere dichtheid beter: zes tot tien spots die de randen van de kamer aanzetten, aangevuld met vier of vijf losse lichtpunten op lagere hoogte. Hoe je die lichtpunten over een kamer verdeelt staat in het artikel over lichtpunten in de woonkamer.
In een keuken, badkamer of gang ligt dat anders. Daar is gelijkmatig licht wél functioneel, en daar mag de volle dichtheid van één spot per anderhalve vierkante meter gewoon aangehouden worden.
De afstand tot de wand
De maat die het vaakst fout gaat is de afstand van de eerste rij spots tot de muur. Standaard is dat 60 tot 90 cm.
Kom je dichter dan 60 cm, dan schijnt de bundel als een felle boog tegen de wand en zie je vooral het plafond en de bovenrand van de muur oplichten. Ga je verder dan 90 cm, dan blijft de onderkant van de wand donker en zakt de kamer aan de randen weg.
Die 75 cm is ook het getal waarmee je een kastenwand of een gordijnrail aanpakt. Hangt er een gordijn, meet dan vanaf de rail en niet vanaf het glas, anders schijnt de spot achter de stof en verlicht hij vooral het raam.
Bij een wand waar kunst hangt, verschuif je bewust: een spot op 30 tot 40 cm van de muur, gericht onder een hoek van ongeveer 30 graden, zet een schilderij aan zonder dat je in de bundel kijkt. Dat is een andere functie dan algemeen licht en vraagt dus ook een aparte groep op de schakelaar.
De onderlinge afstand
Voor de afstand tussen de spots onderling is er een simpele rekenregel: neem de plafondhoogte en deel die door twee.
Bij een plafond van 260 cm komt dat neer op spots om de 130 cm. Bij 280 cm wordt dat 140 cm. Ga je veel dichter zitten, dan overlappen de bundels en ontstaat er een egaal vlak; ga je er ver overheen, dan krijg je losse plassen licht op de vloer met donkere stukken ertussen.
De bundelhoek doet de rest. Een standaard inbouwspot heeft een bundel van ongeveer 36 graden, wat op 260 cm hoogte een lichtvlek van ruim anderhalve meter op de vloer geeft. Een spot met een bundel van 60 graden geeft een breder en zachter vlak en verdraagt dus een grotere onderlinge afstand.
Kies daarbij een warme kleurtemperatuur. Voor een woonkamer is 2700 kelvin de standaard, in een keuken mag 3000 kelvin; alles daarboven wordt koud en klinisch. Het verschil per ruimte staat uitgewerkt in het stuk over kleurtemperatuur en kelvin.
Waarom een raster de kamer plat maakt
Een gelijkmatig raster van spots doet precies wat het belooft: het maakt overal even veel licht. En dat is het probleem.
Diepte in een kamer ontstaat door verschil. Een hoek die donkerder is dan het midden, een lichtplas op een dressoir, een leeslamp die één stoel uitlicht: die contrasten geven een ruimte afstand en volume. Bij twintig spots op één dimmer verdwijnt dat verschil, en een kamer zonder verschil oogt kleiner dan hij is.
Er komt een tweede effect bij. Licht dat recht van boven komt, valt op de bovenkant van alles wat eronder staat. Een bank krijgt een oplichtende zitting en donkere zijkanten, gezichten krijgen schaduwen onder de ogen en de neus, en de wanden blijven donker omdat er niets naartoe schijnt.
De correctie is niet ingewikkeld: laat de spots het werk doen aan de randen en langs de wanden, en breng het licht in het midden van de kamer omlaag naar lamphoogte. Dimmen is daarbij geen luxe maar de voorwaarde; hoe je dat per groep aanpakt staat in het artikel over dimmen in huis.
Waar spots wel het beste werken
Inbouwspots zijn uitstekend in de functies waar ze voor gemaakt zijn.
Boven een aanrecht van 60 cm diep hoort een rij spots op ongeveer 40 cm uit de muur, zodat het licht op het werkblad valt en niet op je rug. In een gang van 100 cm breed volstaat één rij in het midden, om de 130 cm. Boven een douche of een inloopkast doen ze hetzelfde werk, mits ze de juiste beschermingsklasse hebben.
In een kamer met een plafondhoogte onder de 240 cm zijn spots vaak de enige verstandige keuze, omdat een hangende lamp daar in de weg zit. Een vlakke opbouwlamp is dan het alternatief: een plafondlamp van 69 cm doorsnee bouwt maar een paar centimeter op en geeft toch een zichtbaar lichtpunt aan het plafond, in plaats van een gat.
Waar spots het slechtst werken is boven een eettafel en boven een zithoek. Daar wil je licht dat van dichtbij komt en dat mensen aan tafel niet van bovenaf beschijnt; de verschillen tussen die oplossingen staan in plafondlamp of hanglamp.
Minder spots, meer losse lichtpunten
Het alternatief voor het raster is een kamer met vier tot zes lichtbronnen op verschillende hoogtes, waarvan de spots er één zijn.
Op ooghoogte begint dat bij een tafellamp. Een tafellamp van 73,5 cm hoog op een dressoir van 80 cm brengt de lichtbron op ongeveer 130 cm boven de vloer, en dat is precies de hoogte waarop licht een kamer warm maakt in plaats van helder.
In de hoek achter een bank hoort een staande lamp. Een vloerlamp van 135 cm hoog met een voet van 45 cm diep past in vrijwel elke hoek en verlicht het stuk kamer dat het verst van het raam ligt. Welke modellen daarvoor geschikt zijn staat bij de vloerlampen, en de plaatsing zelf in een vloerlamp in de hoek.
Daaronder komt nog een derde laag: een kaars of een windlicht op tafelhoogte, rond de 40 tot 75 cm. In de donkere maanden is dat vaak het verschil tussen een kamer die verlicht is en een kamer waar je wilt zitten, zoals beschreven in licht in de donkere maanden.
Zitten de spots er al, dan hoeft er niets gesloopt te worden. Zet ze op een dimmer, laat ze op ongeveer dertig procent branden als achtergrondlaag en bouw de rest van het licht daaronder op met twee of drie losse lampen.
Bekijk alle verlichting
Bekijk de collectie





