Waar de stijl vandaan komt
Mid-century modern is de naam die achteraf is gegeven aan het meubelontwerp van ruwweg 1945 tot 1965, met een zwaartepunt in Denemarken en de Verenigde Staten. Na de oorlog waren materialen schaars en woningen kleiner, en fabrieken die net vliegtuigonderdelen hadden gemaakt konden opeens triplex buigen en kunststof gieten.
Dat leverde meubels op die licht, stapelbaar en betaalbaar moesten zijn. De zware, gesloten kasten van voor de oorlog verdwenen; wat ervoor in de plaats kwam stond op poten, was smaller en liet de vloer eronder zien.
De stijl is nooit helemaal weggeweest en is sinds ongeveer 2010 weer overal. Dat maakt herkennen lastiger, want naast originelen uit de jaren vijftig staan er hedendaagse meubels die de vormtaal lenen zonder er kopieën van te zijn.
De poot verraadt het meteen
Kijk eerst naar onderen. Bij mid-century modern staat een meubel op zichtbare, dunne poten die naar beneden toe smaller worden en vaak licht naar buiten hellen. Onderaan zijn ze soms niet meer dan twee tot drie centimeter dik.
Die poten hebben ook een gevolg voor de kamer: er zit vijftien tot twintig centimeter lucht onder een kast of bank, en die strook vloer die je blijft zien maakt een kamer optisch groter. Een fauteuil met een omsluitende zitting op donkere houten poten van 91 bij 82 cm laat zien hoe dat werkt: de zitting is fors, maar het meubel oogt licht omdat het van de vloer af staat.
Hout in een middenbruine toon
Het tweede kenmerk is de houtsoort. Teak, palissander en noten waren de standaard, met een warme middenbruine kleur en een nadrukkelijk zichtbare nerf. Eiken kwam voor, maar dan in een donkerdere beits dan het lichte eiken dat nu gebruikelijk is.
Wat er niet bij hoort is witgeschilderd hout of een grijze vergrijsde afwerking; die horen bij landelijk en bij Scandinavisch wonen. Een blad in walnoot fineer op een tafel van 190 cm lang en 75 cm hoog zit qua kleur in dat mid-century register, ook al is de vorm hedendaags. Hoe je twee houtsoorten in één kamer combineert, staat in hout mixen.
Ronde bovenkant, rechte onderkant
De vormtaal is bijna altijd hetzelfde opgebouwd. Boven is het organisch: een gebogen rugleuning, een schelpvormige zitschaal, afgeronde hoeken aan een kastdeur. Onder is het strak: rechte lijnen, een symmetrisch onderstel, geen krullen of versiering.
Die combinatie is de snelste test die je kunt doen. Zie je een zacht gebogen bovenkant op een strak, minimaal onderstel, dan zit je in de goede richting. Een loungestoel met een tonvormige rugleuning op een frame van massief beukenhout van 55 cm breed volgt precies dat schema.
Verhoudingen: laag, lang en smal
Mid-century meubels zijn opvallend laag. Een zithoogte van 40 tot 44 cm was normaal, tegen 45 tot 48 cm bij veel hedendaagse fauteuils, en rugleuningen bleven vaak onder de 80 cm.
Kasten zijn dan weer lang en ondiep: een dressoir van 180 cm breed en 45 cm diep, in plaats van 120 breed en 60 diep. Die verhouding is waarom een mid-century interieur ruim oogt zelfs in een kamer van beperkte afmetingen; alles blijft onder ooghoogte en de wanden erboven blijven leeg.
Wat het niet is
Drie verwarringen komen steeds terug.
- Niet hetzelfde als retro uit de jaren zeventig. Bruin bloemetjesbehang, dikke ribstof en zware zitkuilen zijn een decennium later en een andere gedachte.
- Niet hetzelfde als Scandinavisch wonen. Er is overlap in periode en in makers, maar het lichte hout, de witte muren en de nadruk op daglicht komen uit een andere hoek. Die achtergrond staat in Scandinavisch wonen.
- Niet hetzelfde als Japandi. Japandi leunt op matte oppervlakken en een smal palet, mid-century op warm hout en juist wel een kleuraccent. Het verschil staat uitgelegd in Japandi.
Eén mid-century stuk in een hedendaagse kamer
Een compleet mid-century interieur wordt snel een decor. Eén of twee stukken tussen modern meubilair werkt beter, en dan het liefst een stuk met een uitgesproken silhouet: een fauteuil, een dressoir of een lamp.
Geef dat stuk ruimte. Zet het niet in een rij met andere meubels maar op een plek waar je het van twee kanten ziet, bijvoorbeeld schuin in een hoek bij een raam. Houd rond een losse fauteuil minstens 60 cm vrij zodat de poten zichtbaar blijven; staat hij klem tussen een kast en een bank, dan gaat precies het kenmerk verloren waarvoor je hem hebt gekozen. Waar een losse stoel het beste staat, staat in fauteuil plaatsen.
Herhaal daarnaast de houttoon één keer elders in de kamer, bijvoorbeeld in een dienblad of een lijst. Eén los donkerbruin meubel tussen alleen maar licht eiken blijft een vreemde eend.
Waar je op let bij een vondst of een reproductie
Bij tweedehands vondsten en bij nieuwe meubels in deze stijl zijn dit de punten die het verschil maken:
- Kijk naar de verbinding tussen poot en frame. Een ingelaten of geschroefde houten verbinding is steviger dan een metalen plaatje met vier schroeven in spaanplaat.
- Controleer of het fineer aan de randen loslaat. Bij originelen van zestig jaar oud is dat de meest voorkomende schade en vaak nog te lijmen.
- Voel of de zitting doorzakt. Oud schuim is bijna altijd toe aan vervanging, en dat is een reële kostenpost bij een koopje.
- Let op de diepte. Veel originele banken zijn 80 tot 85 cm diep, waar hedendaagse banken op 95 tot 100 cm zitten. Zit je graag onderuit, dan valt dat tegen.
Een stuk dat niet meteen past hoeft trouwens niet af te vallen. Hoe je een geërfd of gevonden meubel toch laat werken in een kamer die er niet op gebouwd is, staat in erfstukken die niet passen. Losse stoelen om mee te beginnen vind je bij fauteuils.
Bekijk alle meubels
Bekijk de collectie


