Eerst vaststellen wat voor wand het is
Klop met je knokkel op de muur en luister. Een holle, resonerende klank betekent gipsplaat op een houten of metalen frame, met lucht erachter. Een doffe, korte tik betekent een massieve wand.
Daarna boor je een proefgaatje van vijf millimeter op een plek waar het niet uitmaakt, bijvoorbeeld achter een meubel, en kijk je naar het stof dat eruit komt:
- Wit, poederig stof en de boor gaat er moeiteloos in. Gipsplaat. Meestal zit er 10 tot 30 cm lucht achter en zit er om de 40 tot 60 cm een profiel of regel.
- Lichtgrijs, fijn stof en stevige weerstand. Kalkzandsteen, in Nederland de meest voorkomende binnenmuur. Dit is uitstekend materiaal om aan te hangen.
- Roodbruin stof. Baksteen. Ook prima, maar boor in de steen en niet in de voeg, want de voeg brokkelt.
- Grijs stof en de boor komt er nauwelijks doorheen zonder klopstand. Beton. Draagt bijna alles, maar je hebt een klopboor en een betonboor nodig.
- Wit stof dat kruimelt en de boor zakt weg. Gasbeton of cellenbeton. Dit heeft speciale pluggen nodig; gewone nylonpluggen draaien mee en houden niets.
Doe die test voordat je iets bestelt of ophangt. Bij een huis uit de jaren dertig kom je meestal baksteen tegen, bij nieuwbouw kalkzandsteen of beton, en bij een verbouwde zolder of een tussenwandje vrijwel altijd gipsplaat.
De plug hoort bij de wand, niet bij het object
De pluggen die bij een spiegel of kast worden meegeleverd zijn universele nylonpluggen. Die zijn bedoeld voor massieve wanden en doen in gipsplaat vrijwel niets.
| Wandtype | Wat je gebruikt | Wat het ongeveer draagt per punt |
|---|---|---|
| Kalkzandsteen, baksteen, beton | nylon universeelplug of slagplug | ruim voldoende voor vrijwel alle wanddecoratie |
| Gipsplaat, licht | zelfborende gipsplaatplug | een paar kilo |
| Gipsplaat, zwaarder | hollewandplug of tuimelplug | tien kilo of meer, afhankelijk van type en plaatdikte |
| Gipsplaat, echt zwaar | schroef in het profiel of de regel erachter | zoveel als de constructie aankan |
| Gasbeton | speciale gasbetonplug of chemisch anker | volgens opgave van de fabrikant |
Bij gipsplaat geldt één controle die je altijd doet: als je iets ophangt dat zwaarder is dan een paar kilo, zoek dan de regel achter de plaat. Die vind je met een leidingzoeker of door met een dun spijkertje op een onopvallende plek te prikken tot je weerstand voelt. Een schroef in het profiel is altijd sterker dan welke plug ook.
Er is nog een verschil dat op de verpakking zelden opvalt: de lengte van de schroef. Een plug van vijf centimeter heeft een schroef nodig die door het object én door de plug heen komt, en bij een dikke lijst schiet een korte schroef tekort. Meet de dikte van het ophangoog en tel daar de pluglengte bij op.
Een wandklok is meestal het lichtste geval. Een wandklok van ijzer met een diameter van 90 cm hangt aan één punt, ook in gipsplaat, mits die plug bij het wandtype past. Voor zoiets is de plek belangrijker dan de bevestiging; op welke hoogte een klok hoort te hangen staat in een klok ophangen op de juiste hoogte.
Gewicht, breedte en het aantal punten
Twee dingen bepalen hoeveel ophangpunten je nodig hebt: het gewicht en de breedte.
Gewicht spreekt voor zich. Breedte minder: een breed, plat object dat aan één punt hangt, gaat scheef zodra iemand er langs loopt of de deur dichtslaat, en dan corrigeer je dat elke week. Bij alles boven de ongeveer zestig centimeter breed hang je daarom aan twee punten op gelijke hoogte, ook als het gewicht dat niet vraagt.
Bij een 3D-vlinderschilderij van 120 bij 120 cm met een houten lijst en glas telt allebei mee. Glas maakt een lijst fors zwaarder dan hij eruitziet, en op die breedte is één haakje niet genoeg. Twee punten, waterpas uitgemeten, met pluggen die bij de wand horen. Een kleiner paneel zoals het wandstuk met koraalstructuur van 60 bij 60 cm komt met één punt prima weg.
Voor een reeks lijsten naast elkaar geldt hetzelfde in het kwadraat. Hang je meerdere stukken uit de wanddecoratie op één wand, meet dan eerst alle ophangpunten uit op de vloer, met de lijsten in de gewenste opstelling naast elkaar, en zet die maten daarna over op de muur. Dat scheelt gaten die je later moet vullen.
Een spiegel verdient een aparte opmerking. Spiegelglas is zwaar en breekt bij een val, dus daar geldt: altijd twee punten, altijd controleren of de ophangogen aan de achterkant vastzitten in het frame en niet alleen in een dun achterplaatje, en bij twijfel een ophangrail gebruiken. Op welke hoogte en in welke maat een spiegel het beste hangt, staat in een spiegel ophangen: hoogte en maat.
En boven een bank speelt nog iets anders mee dan gewicht, namelijk hoe hoog je iets hangt ten opzichte van de rugleuning; dat staat in wanddecoratie boven de bank.
Waar je beter niet boort
In de meeste Nederlandse woningen lopen leidingen volgens een vast patroon, en dat patroon geeft je precies de zones die je vermijdt.
Elektriciteitsleidingen lopen loodrecht omhoog of omlaag vanaf een stopcontact of schakelaar, en horizontaal in een band vlak onder het plafond. Reken op een strook van ongeveer dertig centimeter breed recht boven en onder elk contactpunt, en op een band van vijftien tot dertig centimeter onder het plafond. Waterleidingen komen verticaal uit de vloer omhoog naar een kraan of radiator.
Gebruik een leidingzoeker, ook als je zeker denkt te zijn. Ze kosten weinig, waarschuwen voor stroom en metaal, en zijn binnen één klus terugverdiend. Boor daarnaast de eerste centimeter altijd zonder klopstand, zeker door tegels, en houd de boormachine haaks op de wand.
En soms is de juiste conclusie dat je helemaal niet boort. In een huurwoning, in een tussenwandje dat niets draagt, of op een wand met tegels waar je vanaf wilt blijven, zijn er genoeg alternatieven; die staan bij elkaar in een huurwoning inrichten zonder boren.
De eenvoudigste variant daarvan wordt vaak vergeten: niet alles hoeft aan de wand. Een groot object op een dressoir of een kast doet visueel hetzelfde werk als een schilderij erboven, zonder één gaatje. Wat een enkel voorwerp op die manier kan dragen, staat in de lege vaas als object.






