Kwart over tien, en de bus stopt onder het raam
Het is de eerste week van april en het raam staat op een kier, voor het eerst sinds oktober. In de kamer brandt één lamp. Buiten remt de bus af voor de halte, laat de rem los, en trekt op met dat lage brommen dat een halve straat verderop nog in de vloer zit.
Daarna is het even stil, en dan hoor je waar de rest vandaan komt. Een scooter die met een korte gil de bocht om gaat. Twee mensen die afscheid nemen bij de deur schuin tegenover. Het klapperen van een brievenbus. Het zijn geen van alle harde geluiden; wat ze vervelend maakt is dat ze onvoorspelbaar zijn en dat je er telkens even van opkijkt.
Wat er precies binnenkomt, valt te schatten. Een bus die optrekt zit op zeven meter afstand rond de 80 decibel. Een gesloten raam met dubbel glas haalt daar ruwweg dertig decibel af, wat betekent dat je op de bank nog altijd iets van vijftig hoort. Dat is het niveau van een gesprek in dezelfde kamer, en dat verklaart waarom het je opvalt terwijl het objectief niet hard is.
De kamer werkt bovendien mee. Gietvloer, gestuukte wanden, een lange raamwand en een plafond zonder enige onderbreking: geen van die vlakken neemt iets op. Het geluid van buiten komt binnen, stuitert een paar keer heen en weer en klinkt daardoor langer door dan het buiten deed. Dat is het deel van het probleem dat je zelf hebt gemaakt, en tegelijk het enige deel dat je vanavond nog kunt veranderen.
Eerst zoeken waar de lucht binnenkomt
Het raam dicht doen scheelt meer dan al het andere bij elkaar. Een kier van een centimeter aan de bovenkant van een draairaam laat een verrassende hoeveelheid geluid door, want geluid volgt lucht: overal waar lucht langs kan, gaat geluid mee.
Dus dat is de eerste ronde: het raam sluiten, en daarna de kamer aflopen op zoek naar de plekken waar het niet echt dicht is. Op een winderige avond gaat dat het snelst met de rug van je hand, langs het kozijn, langs de onderkant van de deur naar de hal, langs de brievenbus in de voordeur. Waar je koude lucht voelt, komt geluid mee naar binnen.
Drie plekken komen er in een rijtjeshuis bijna altijd uit. De rubbers van een raam dat twintig jaar oud is, die hard zijn geworden en niet meer aansluiten. De naad onder een binnendeur naar een gang die op de trap uitkomt, waardoor je het verkeer via de voordeur en het trapgat hoort in plaats van via het raam. En de brievenbus, die letterlijk een gat in de gevel is met een klepje ervoor.
Voor twee daarvan bestaat een oplossing van een paar euro: nieuw tochtprofiel op de rubbers, een borstelstrip onder de deur, een geïsoleerde brievenbusklep. Het is niet mooi werk en het is wel het enige wat het geluidsniveau in de kamer echt omlaag brengt.
Voor het ventilatierooster boven het raam geldt dat niet. Dat rooster laat geluid door en dichtplakken is geen optie, want de kamer heeft de lucht nodig. Er bestaan geluidgedempte roosters, en die vervang je op een zaterdag, niet op een dinsdagavond.
En dan is er nog het lage gebrom van die bus. Dat komt niet door een kier maar door de massa van de gevel en de vloer heen, en daar heeft afdichten geen enkel effect op. Lage tonen laten zich niet tegenhouden door iets wat licht is.
De gordijnen dicht, en waarom het toch anders klinkt
De gordijnen dicht trekken doet minder aan het geluidsniveau dan de meeste mensen hopen. Een dik gordijn haalt er een paar decibel af, en dan vooral in de hoge tonen: het sissen van banden op nat asfalt, stemmen op straat, het gerinkel van een sleutelbos. Het lage brommen komt er ongehinderd doorheen.
Toch klinkt de kamer meteen anders, en dat komt door iets anders dan isolatie. Het gordijn hangt over het hardste vlak in de ruimte, en daarmee stopt de kamer met meeklinken. Het geluid dat binnenkomt sterft nu sneller uit in plaats van nog twee keer heen en weer te kaatsen, en daardoor klinkt het verder weg. Objectief verandert er weinig, in de kamer verandert er veel.
Datzelfde geldt voor alles wat zacht is en groot. Een vloerkleed van 300 bij 400 cm met een pool van 3 cm is niet alleen het grootste zachte vlak dat je in een kamer kunt leggen, het ligt ook op de vloer waar het lage gerommel van buiten binnenkomt. Op de bank telt elk stuk stof mee: een plaid van 140 bij 180 cm losjes over de leuning en een paar kussens van 50 bij 50 cm zoals de Saphira met een deels geborduurd dessin doen samen meer dan één groot glad meubelstuk. Hoe dat mechanisme werkt en in welke volgorde je het aanpakt, staat uitgewerkt in je kamer galmt.
Wat hier telt is de volgorde. Eerst de kieren, dan pas het textiel. Andersom hang je dure gordijnen voor een raam waar de lucht nog steeds langs komt, en dan is de conclusie onvermijdelijk dat gordijnen niet helpen.
Wat er tegen half een nog over is
De hoge geluiden zijn weg. Wat blijft is het lage: de bus, de bas van de buren, een vrachtwagen die twee straten verderop een bocht neemt. Daar helpt geen textiel tegen, want lage tonen gaan door massa heen en die massa zit in je gevel.
Twee dingen doen dan nog iets. Het eerste is de plek waar je zit. Een bank die met de rug tegen de raamwand staat, zet je op anderhalve meter van de bron; dezelfde bank aan de andere kant van een kamer van zes meter zet je op vier en een halve. Dat verschil hoor je, en het kost niets behalve een middag schuiven.
Het tweede is minder logisch en werkt beter dan je zou denken: een eigen, gelijkmatig geluid. Een vaatwasser die draait, een ventilator, muziek zo zacht dat je de tekst niet volgt. Wat je stoort aan verkeer is niet het niveau maar de verandering, en een constante ondergrond maakt die verandering kleiner. Daarom slaapt bijna iedereen beter bij regen dan bij een enkele auto.
Zet die twee naast elkaar en het beeld klopt weer. Om half een rijdt de laatste bus, en daarna is het buiten stil genoeg om de koelkast in de keuken te horen. De kamer is niet stiller geworden dan hij was; hij houdt alleen minder lang vast wat er binnenkomt. In de zomer, als het raam weer opengaat, begint het opnieuw, en dan weet je in elk geval welke ronde je als eerste moet doen. Nieuw textiel voor de zithoek staat bij de sierkussens en plaids.






