Wat er onder het raam zit bepaalt de lengte
Voordat je iets over stof of plooi beslist, kijk je naar de onderste vijftig centimeter van het raam. Daar staat namelijk meestal iets.
Een radiator onder het kozijn is het duidelijkste voorbeeld. Een gordijn dat er in zijn geheel voorlangs valt, vangt de warme lucht af en stuurt die tussen stof en glas omhoog, waar hij door het koudste oppervlak van de kamer weer wordt afgekoeld. Bij een radiator kies je de lengte tot net boven de vensterbank, of, als er geen bank is, tot ongeveer 2 cm boven de bovenrand van de radiator.
Een diepe vensterbank dwingt dezelfde keuze af. Steekt hij meer dan een centimeter of vijf uit, dan hangt een lang gordijn er niet netjes langs maar bol eroverheen. Bij een ondiepe bank van 3 of 4 cm kan een vloerlang gordijn er wel langs, mits de rail ver genoeg van de muur af hangt.
Loopt er een deur naar de tuin of het balkon in hetzelfde raamvlak, dan is er niets te kiezen: alles gaat tot de vloer, ook het deel dat voor het vaste raam hangt. Twee lengtes naast elkaar in één raamvlak ziet er altijd uit als een vergissing.
Drie lengtes en wat ze met de kamer doen
Er zijn in de praktijk drie zoomhoogtes, en alles ertussenin is een fout.
- Zwevend, met de zoom ongeveer 1 cm boven de vloer. De stof hangt kaarsrecht, je kunt eronder stofzuigen en de zoom blijft schoon. Dit is de veiligste keuze in een huis met kinderen of dieren.
- Op de vloer, met 2 tot 4 cm extra lengte zodat de stof onderaan een vouw maakt. Dat oogt zwaarder en rijker, maar de zoom vangt stof en de plooi moet je na het stofzuigen weer even schikken.
- Tot de vensterbank, met de zoom 1 tot 2 cm boven het hout. Praktisch bij een radiator, bij een bureau onder het raam en in een keuken.
De lengte die je nooit kiest, is de tussenmaat: een gordijn dat halverwege tussen vensterbank en vloer eindigt. Het oog leest dat als een gordijn dat gekrompen is.
Meet de hoogte pas als de rail al hangt. Meet van de bovenkant van het runner-oog tot de gewenste zoom, en meet aan drie plekken over de breedte, want vloeren in oudere huizen lopen makkelijk een centimeter af.
De rail hangt hoger dan waar het kozijn ophoudt
De standaardfout is de rail net boven het kozijn schroeven. Dat is logisch als je van het raam uitgaat, maar het gordijn hoort niet bij het raam, het hoort bij de wand.
Reken op 15 tot 20 cm boven de bovenkant van het kozijn. Er ontstaat dan een stuk stof boven het glas, en juist dat stuk maakt dat het raam hoger lijkt dan het is. Bij een plafond van 260 cm en een kozijn dat op 210 cm eindigt, houd je 50 cm over; de rail op 230 cm laat 30 cm lucht boven de rail en geeft een gordijnlengte van rond de 229 cm.
Is de afstand tussen kozijn en plafond kleiner dan 15 cm, ga dan meteen tegen het plafond. Een plafondrail heeft ongeveer 3 cm nodig en laat de stof over de volle hoogte vallen, wat in een kamer met een laag plafond meer scheelt dan welke andere ingreep aan het raam ook.
Wat je vermijdt is de tussenpositie, met 6 of 7 cm muur zichtbaar boven de rail. Die strook leest als een montagefout.
Breder dan het raam, anders zit het gordijn ervoor
Een rail die precies zo breed is als het kozijn heeft één vervelende eigenschap: opengeschoven staat het gordijn nog altijd voor het glas.
Laat de rail daarom aan iedere kant 20 tot 30 cm doorlopen voorbij het kozijn. Die overlengte is de stapelruimte, de plek waar de opengeschoven stof zich verzamelt. Een baan van anderhalve meter vlakke stof stapelt zich op tot een pakket van grofweg 25 tot 30 cm breed, en dat pakket wil je tegen de muur hebben en niet voor het uitzicht.
Bij een raam waar aan één kant geen muur zit, bijvoorbeeld bij een hoekraam of een raam vlak naast een doorgang, verdeel je de stapelruimte ongelijk: alle overlengte naar de kant waar wel muur is, en aan de andere kant een enkel gordijn dat naar één kant openschuift.
Meet de railbreedte trouwens over het kozijn inclusief de lijsten, niet over de dagmaat van het glas. Dat scheelt aan iedere kant zomaar 6 cm.
Het plooitype bepaalt hoeveel stof je koopt
De plooi is niet alleen een uiterlijke keuze. Hij bepaalt de plooifactor, en de plooifactor bepaalt de rekening.
Golfplooi, ook wel wave, hangt in gelijkmatige S-vormen en vraagt een factor van 2 tot 2,5. De plooi ontstaat door de vaste afstand tussen de runners in de rail, dus je hebt er een rail voor nodig die daarop is gemaakt. Het beeld is strak en modern, en de stof stapelt relatief breed op.
Een dubbele plooi is aan de bovenkant met de hand ingenomen en houdt daardoor zijn vorm, ook als het gordijn openstaat. Ook hier reken je met factor 2 tot 2,5. Dit is de plooi die het beste past bij zware, geweven stoffen.
Een rimpelband of enkele plooi komt uit op factor 1,5 tot 2. Dat is de goedkoopste optie, en aan dunne stoffen is het te zien: minder body, minder diepe vouwen, en de stof valt eerder plat tegen het raam.
Rekenen doe je zo: rail van 250 cm bij factor 2 betekent 500 cm stof, verdeeld over twee banen van 250 cm vlakke breedte. Bij een dunne, ijle stof ga je een halve factor omhoog, want juist licht materiaal heeft die extra breedte nodig om niet slap te ogen.
Wanneer een vitrage of rolgordijn de betere keuze is
Niet elk raam vraagt om overgordijnen, en op sommige plekken werken ze zelfs tegen.
Aan een straatkant op de begane grond los je overdag niets op met een gordijn dat je 's avonds dichtdoet. Daar hoort een vitrage of een inbetween achter het overgordijn: die filtert het zicht van buiten zonder het daglicht weg te nemen. Twee rails op één steun, of een dubbele rail, houdt de constructie eenvoudig.
In een keuken, een badkamer en op een klein raam boven een werkblad wint het rolgordijn. Het neemt geen wandruimte in, het vangt geen kookvet in vier meter stof, en in de dag gemonteerd verdwijnt het volledig in het kozijn. Reken voor die montage op een kozijndiepte van minstens 4 cm.
Op een slaapkamer combineer je vaak allebei: een verduisterend rolgordijn in de dag voor het donker, en een gordijn ervoor voor de akoestiek en de warmte.
Bij een schuin dakraam heeft een gordijn geen zin. Daar past alleen een rolgordijn of plisségordijn dat in de sponning zit, omdat stof anders van het raam af hangt in plaats van ertegenaan.
De hoek naast het raam is onderdeel van het beeld
Een gordijn hangt zelden in zijn eentje. Wat ernaast staat, bepaalt of de raamzone rustig oogt of vol.
Een vloerlamp is de logische buur van een gordijn, en hij heeft twee dingen nodig: hoogte die onder de rail blijft en afstand tot de stof. De vloerlamp Jamy in walnut-fineer is 139 cm hoog met een basis van 19,5 cm breed, dus die past ruim onder een rail op 230 cm. Houd tussen de kap en het gordijn ongeveer 20 cm vrij, zodat de stof bij een open raam niet tegen een warme lamp waait. Meer opties in dezelfde hoogteklasse staan bij de vloerlampen, en hoe zo'n lamp meetelt in het lichtplan van de kamer staat in de opzet met meerdere lichtpunten.
Staat er een stoel bij het raam, houd hem dan uit de stapelruimte. De lounge stoel Godiva is 60 cm breed en 121 cm diep met een zithoogte van 47 cm; zet je die pal in de hoek waar het gordijn opstapelt, dan schuift het gordijn nooit meer helemaal open en zie je dat aan de vouwen in de stof.
Voor het vloerkleed geldt de omgekeerde afstand. Laat de rand van het kleed 20 tot 25 cm van de val van het gordijn af blijven, want een zoom die op een pool van 1 cm rust, gaat golven. Een kleed als de Arles van 200 bij 300 cm begrenst de zithoek zonder tot onder het raam door te lopen. Welke maat bij welke zithoek hoort, staat uitgewerkt in het overzicht van vloerkleedmaten.
Hang de rail op en laat het gordijn een paar dagen hangen voordat je de zoom definitief maakt. Zware stoffen zakken in die dagen nog een centimeter uit, en die centimeter is precies het verschil tussen zwevend en slepend.



