Waar bovenlichten en hoge ramen zitten
Een bovenlicht is elk raam dat boven een ander bouwdeel zit: boven een deur, boven een pui, boven een borstwering. Het is geen stijlkenmerk maar een bouwkundige oplossing, en daarom kom je hem in vrijwel elk type woning tegen.
De bekendste is het smalle raam boven de voordeur, in vooroorlogse huizen vaak 30 tot 50 cm hoog en zo breed als het kozijn. Daarnaast zit in veel jaren-dertig woningen een bovenlicht boven de binnendeuren, dat licht van de gang naar de kamer doorgeeft of andersom. In nieuwbouw is de variant meestal groter: een vaste glasstrook boven een schuifpui, of een driehoekig raam in een puntgevel bij een woning met een kap. En bij een aanbouw of een uitbouw met een plat dak is het licht van boven vaak een dakraam of een lichtstraat, dus letterlijk een raam in het plafond.
Wat die vormen delen is dat het glas hoger zit dan waar je naar kijkt. Je gebruikt zo'n raam niet om naar buiten te kijken. Je gebruikt het alleen voor licht, en dat maakt de afwegingen eromheen anders dan bij een gewoon raam.
Waarom licht van boven dieper de kamer in komt
De vuistmaat die daglichtontwerpers gebruiken is eenvoudig: bruikbaar daglicht komt ongeveer anderhalf tot twee keer de hoogte van de bovendorpel de kamer in. Zit die bovendorpel op 2,10 meter, dan is de laatste bruikbare meter ergens rond 3 tot 4 meter vanaf de gevel. Zit hij op 2,80 meter, dan haal je 4 tot 5,5 meter.
De onderdorpel doet in die som bijna niets. Een raam dat 40 cm lager begint geeft je vooral uitzicht en warmte op je benen; een raam dat 40 cm hoger eindigt geeft je licht achterin de kamer. Dat is precies waarom een bovenlicht boven een pui zoveel oplevert in een diepe woonkamer, terwijl het qua glasoppervlak een bescheiden strook is.
Er zit een tweede reden achter. Licht dat hoog binnenkomt, valt onder een steilere hoek en landt daardoor op de vloer en op de achterwand, in plaats van meteen tegen de zijmuren. De achterwand van een kamer is het vlak dat bepaalt of een ruimte licht voelt, want dat is het vlak waar je vanuit de zithoek naar kijkt. In een kamer waar de achterwand donker blijft, helpt geen enkele extra lamp overdag.
Woon je in een huis waar dat licht er domweg niet is, dan gelden andere maatregelen dan hieronder; die staan in het stuk over wonen met weinig daglicht.
Het licht zelf is ook anders
Een raam op ooghoogte laat je de straat, de tuin en de schutting zien. Een bovenlicht laat je vooral de lucht zien, en dat verandert de kwaliteit van wat er binnenkomt.
Hemellicht is diffuus. Het komt niet uit één punt maar van een groot oppervlak, waardoor schaduwranden zachter zijn en er minder harde slagschaduw op de vloer ligt. In een keuken of aan een werktafel merk je dat direct: onder een dakraam heb je zelden dat scherpe randje langs je hand waar je bij zijlicht last van hebt.
Hemellicht is ook koeler van kleur. Een noordelijk bovenlicht levert de hele dag een vrij constante, blauwige lichtkleur, wat prettig is om bij te werken en minder prettig om 's avonds in te zitten. Daar zit het praktische gevolg: de kamer heeft in de schemer een warmere kunstlichtlaag nodig dan een kamer met zijlicht, omdat het contrast tussen dag en avond groter is. Welke lichtkleur je daarvoor kiest staat in kleurtemperatuur van verlichting.
Bij een bovenlicht op het zuiden of westen gebeurt het omgekeerde. Dan schuift er een scherp omlijnde lichtvlek over de vloer en de wand, die in de loop van de dag van plaats verandert. Dat is een van de mooiste dingen die een kamer kan doen, en tegelijk de reden dat je moet weten waar die vlek precies langskomt voordat je er iets neerzet.
Waarom afdekken bijna altijd verlies is
De reflex bij elk raam is: er moet iets voor. Bij een bovenlicht klopt die reflex zelden.
Inkijk speelt op die hoogte niet. Een voorbijganger op de stoep kijkt onder een hoek naar boven en ziet je plafond, niet je kamer. Pas als er aan de overkant een woning met een verdieping staat die op gelijke hoogte kijkt, ontstaat er een echt inkijkprobleem, en dan gaat het meestal maar om één bepaalde raamhoek. Loop een avond met de lampen aan de straat op en kijk zelf; die test kost vijf minuten en beslist meer dan welk advies ook.
Daar komt bij dat je een raambekleding op 2,60 meter niet bedient. Wat je erboven hangt blijft in de praktijk in dezelfde stand hangen, dus je betaalt voor iets bewegends en krijgt iets vaststaands. En het licht dat je ermee tegenhoudt is precies het licht dat achterin de kamer terechtkwam.
Er is één esthetisch argument dat wel telt en dat vaak wordt vergeten: een raam dat je halverwege afplakt of afdekt, wordt visueel korter. De verticale lijn van vloer tot bovendorpel is een groot deel van waarom een hoge kamer royaal oogt. Wie die lijn wil versterken hangt de gordijnrail juist zo hoog mogelijk, en niet halverwege het glas. Hoe je dat aanpakt bij een kamer die sowieso al hoog is, staat in wat je met de bovenste meter doet.
De uitzonderingen: slaapkamer, hitte en verblinding
Drie situaties waarin je wél iets doet, en in alle drie is de oplossing een vaste in plaats van een bedienbare.
De slaapkamer is de duidelijkste. Een bovenlicht boven een slaapkamerdeur of een dakraam boven het bed maakt verduistering onmogelijk zolang het onbehandeld blijft. Hier is een op maat gemaakt verduisterend paneel in het kozijn de enige echte oplossing; alles wat licht doorlaat, laat om vijf uur 's ochtends in juni ook licht door.
Hitte is de tweede. Een groot glasvlak op het zuiden of westen brengt in de zomer meer warmte binnen dan een kamer kwijt kan, en dat probleem los je aan de buitenkant op. Wat de zon buiten het glas houdt werkt; wat binnen hangt, houdt het licht tegen terwijl de warmte al binnen is. De volledige afweging tussen gordijn, lamel en folie staat in zonlicht sturen.
Verblinding is de derde en de meest onderschatte. Een westelijk bovenlicht boven een eettafel zet in de zomer tussen zeven en negen uur 's avonds precies de zon in het gezicht van wie aan de lange kant zit. Daar helpt geen folie, want die dempt de hele dag terwijl je maar twee uur last hebt. Wat wel helpt: de tafel een kwartslag draaien, of de zitplaats verplaatsen. Meubelindeling is hier goedkoper dan raambekleding.
De wand onder het raam
Onder een hoog raam ligt een band wand die van de vloer tot aan de onderdorpel loopt, en die band is meestal het bruikbaarste vlak van de hele kamer. Hij vangt het licht dat van boven binnenkomt, en hij is niet zichtbaar vanaf de straat.
De regel die hier telt is de bovengrens. Wat je onder een bovenlicht neerzet of ophangt, blijft onder de onderdorpel. Zodra een spiegel, een lijst of een hoge kast die lijn kruist, snijdt hij het raam aan en zie je van buiten en van binnen een halve rechthoek. Een smal meubel is daarom de logische keuze: de consoletafel Castello van 130 cm breed en 78 cm hoog in gerookt eiken laat ruim een meter wand vrij onder een dorpel op 190 cm, en dat vlak mag leeg blijven.
Een spiegel hoort in deze kamer niet onder het raam maar tegenover het raam. Daar vangt hij het hoge licht en gooit het terug in de diepte van de kamer, wat het effect uit de tweede sectie nog eens versterkt. Hoe ver je daarmee komt en waar de grens ligt staat in een spiegel in een donkere kamer.
En dan de verlichting. Een kamer met veel hoog daglicht valt 's avonds harder terug dan een kamer met zijlicht, omdat het contrast groter is. Zet daar minstens één lichtpunt op zithoogte tegenover: een tafellamp op de console, een vloerlamp naast de stoel. Voor het aantal en de plaatsing is hoeveel lichtpunten een woonkamer nodig heeft de praktische leidraad.
Wat er goed staat in licht dat van boven komt
Licht dat schuin van boven binnenvalt, doet iets met doorzichtige materialen dat zijlicht niet doet: het gaat er dwars doorheen en zet de wand van het object van binnenuit aan.
Glas is daarom het materiaal dat hier het meeste oplevert. Een transparante glazen vaas van 45 cm hoog met een geribbeld oppervlak breekt dat licht in verticale strepen en werpt ze op het blad eronder, en dat beeld verandert de hele dag mee met de zon. Op een lager vlak doet een bolvormige vaas van 23 cm met horizontale ribbels hetzelfde in het klein. Verzamel je zulke stukken, dan is het aanbod vazen de plek om op materiaal te selecteren in plaats van op kleur.
Wat je juist buiten die lichtbaan houdt, is alles wat verkleurt. Foto's verbleken, textiel verschiet aan de kant die de zon vangt, en ook hars en gelakt hout worden na jaren zichtbaar lichter aan één zijde. Kijk daarom eerst een zonnige dag waar de vlek langskomt en zet de kwetsbare dingen daarnaast in plaats van erin. Op een blad dat wél in de baan ligt, zijn steen, keramiek en glas de materialen die er niets van merken.
Tot slot de vensterbank die er soms bij hoort. Bij een raam dat hoog begint zie je wat erop staat van binnenuit tegen het licht in, dus je ziet vooral silhouetten. Vorm telt daar zwaarder dan kleur, wat verder is uitgewerkt in een vensterbank stylen.









