Parijs 1925, en een naam die pas veertig jaar later kwam
De stijl die we nu art deco noemen kreeg zijn naam lang nadat hij bestond. Het startpunt is de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes, de wereldtentoonstelling die in 1925 in Parijs werd gehouden. Pas in de jaren zestig werd de titel van die tentoonstelling afgekort tot art deco, toen verzamelaars de periode opnieuw ontdekten.
Drie dingen kwamen in die jaren samen. De machine en de snelheid: oceaanstomers, treinen, de eerste wolkenkrabbers, allemaal met gestroomlijnde vormen die in het interieur terugkwamen. De vondst van het graf van Toetanchamon in 1922, die een golf aan Egyptische motieven losmaakte, van lotusbloemen tot trapvormen. En de reactie op de art nouveau die eraan voorafging: dezelfde liefde voor versiering, maar dan rechtgetrokken tot geometrie.
Nederland heeft er zijn eigen versie van. Theater Tuschinski in Amsterdam, geopend in 1921, mengt Amsterdamse School met art deco en jugendstil, en is nog steeds de plek waar je de stijl in het echt kunt zien: symmetrische entree, gestileerde patronen, en licht dat overal uit gebogen glas komt.
Cirkel, waaier en trap
Art deco is te herkennen aan een klein aantal vormen die zich blijven herhalen. De cirkel en de halve cirkel. De waaier of zonnestraal, waarbij lijnen vanuit één punt uitwaaieren. De zigzag, ook wel chevron. En de trapvorm, waarbij een silhouet in gelijke stappen smaller wordt naar boven toe.
Daar komt symmetrie bij. Waar een modern interieur graag asymmetrisch groepeert, zet art deco twee gelijke dingen aan weerszijden van een derde: twee lampen naast een spiegel, twee stoelen bij een tafel, twee vazen op een console.
Een wandklok Chasin van 90 bij 90 cm met uitwaaierende metalen staven is een schoolvoorbeeld van dat zonnemotief, en meteen ook een les in schaal: 90 cm vraagt om een wand van minstens 3 meter, anders wordt de klok het enige wat je ziet. Over de juiste hanghoogte gaat het stuk over een klok ophangen.
Wat deze vormen gemeen hebben is dat ze geconstrueerd ogen, niet gegroeid. Dat is precies het verschil met de organische lijnen van de stijl die eraan voorafging.
Materialen die het licht terugkaatsen
Het materiaalpalet is even herkenbaar als de vormen. Messing en chroom, marmer met een uitgesproken adertekening, spiegelglas, rookglas, gelakt hout in donkere tinten, en textiel met glans: velours, zijde, fluweel.
De gemene deler is weerkaatsing. Waar een natuurlijk, mat interieur licht opneemt, kaatst art deco het terug, en daarom werkt de stijl zo goed in ruimtes die het van kunstlicht moeten hebben. Een hal zonder raam is er een betere plek voor dan een serre.
Een enkel meubel kan het hele idee dragen. De bijzettafel Orchid van 46 cm hoog en 46 cm doorsnede heeft een gecanneleerde cilinderpoot in Indian Red Levanto-marmer, dus twee kenmerken tegelijk: de verticale ribbels die het licht in strepen breken, en een gekleurde steensoort in plaats van een neutrale. Zo'n tafel naast een effen bank doet meer dan drie kleine accessoires bij elkaar.
Meng je metalen, houd dan één toon dominant. Hoe je goud, zwart en chroom in één kamer combineert staat in metaal mixen.
Eén accent, geen thema
In een gewone Nederlandse woonkamer gaat het zelden om een complete art-decokamer. De vraag is hoeveel ervan een ruimte verdraagt, en het antwoord ligt rond de tien procent: één meubel, of één lichtelement, of één spiegel, in een verder rustige ruimte.
Verlichting is daarvoor de dankbaarste categorie, omdat een lamp klein is en toch de hele avondsfeer bepaalt. De wandlamp Penelope van 60 cm hoog en 22 cm diep met uitwaaierende glazen staafjes brengt het waaiermotief én de weerkaatsing binnen in één object, en is met een dimbare E14-lamp van maximaal 40 watt terug te brengen tot een gloed. Twee ervan naast een spiegel is de klassieke opstelling; bekijk de wandlampen op hoogte en diepte voordat je in een smalle gang gaat hangen, want 22 cm steekt ver uit.
Kies daarnaast één plek waar de symmetrie mag regeren, meestal de wand met de open haard of de console in de hal. De rest van de kamer mag gewoon asymmetrisch blijven; wanneer dat wel en niet werkt staat in symmetrie of asymmetrie.
De grens met het filmdecor
Art deco kantelt sneller dan andere stijlen naar decor, en dat gebeurt op drie manieren.
De eerste is te veel patroon. Een zigzagvloer, een gewaaierd behang en een geometrisch kleed in één kamer vechten om dezelfde aandacht. Houd het bij één patroon per ruimte en laat de andere vlakken effen.
De tweede is te veel goud. Messing werkt als accent van vijf tot tien procent van het zichtbare oppervlak; boven dat percentage wordt een kamer een lobby. Een donkere wandkleur helpt daarbij meer dan een lichte, omdat goud tegen taupe, diepgroen of bordeaux kalmeert en tegen wit gaat schitteren.
De derde is schaal. De stijl komt uit theaters, hotels en oceaanstomers, met plafonds van vier meter en wanden zonder eind. In een woonkamer van 250 cm hoog moet je die maten terugbrengen: een spiegel van 80 bij 120 cm in plaats van een van twee meter, en een lage bijzettafel in plaats van een bar.
Er is een simpele avondtest voor de dosering. Doe alleen de lampen aan die je normaal aandoet en kijk waar het metaal oplicht. Blijven dat twee of drie punten in de kamer, dan klopt de verhouding. Licht de hele ruimte op in dezelfde gouden gloed, dan zit er ergens een vlak te veel, en dat is bijna altijd het grootste: de wand, het kleed of het gordijn.






