De standaardkeuze is abstract, en dat is geen toeval
Loop tien woonkamers binnen en in zeven ervan hangt iets abstracts. Een vlak in aardetinten, een penseelhaal, een verloop van goud naar donkerbruin. Die keuze verkoopt zichzelf: abstract werk stelt geen vraag aan de kamer, mengt zich niet in de gesprekken eromheen en houdt stand als de bank over vier jaar in een andere kleur wordt vervangen.
De Wall art Jozra van 80 bij 80 cm, witte penseelhalen op een donkere ondergrond in een zwarte lijst met crème passe-partout, is daar een goed voorbeeld van. Je kunt er jaren langs lopen zonder dat iemand vraagt wat het voorstelt. In een huis waar twee mensen iets van de wand vinden, is dat een reëel voordeel en geen luiheid.
Toch is die redenering wat mij betreft doorgeslagen. De veiligste keuze is niet automatisch de keuze waar je het langst plezier van hebt, en dat verschil is groter dan de meeste stylingadviezen toegeven.
Waar abstract het laat afweten
Het abstracte werk dat na vijf jaar nog hangt, heeft bijna altijd iets fysieks. Reliëf, gestapelde lagen, een weefsel dat het licht per uur van de dag anders terugkaatst. Dat is wat je oog vasthoudt zodra het beeld zelf geen informatie meer geeft.
De Wall art Rival gold van 120 bij 120 cm laat zien wat ik bedoel: grenen, jute en polystyreen, met een reliëftextuur bovenaan die overgaat in een egaal verlopend vlak. In de ochtend zit er schaduw in die textuur, 's avonds onder een lamp niet. Het werk verandert zonder dat er iets aan verandert.
Zet daar een vlakke print tegenover van hetzelfde formaat, met dezelfde beige verlopen, gedrukt op glad canvas. Op een muur op het noorden, die de hele dag koel en gelijkmatig licht krijgt, is zo'n print in november een grijs rechthoekje geworden waar je overheen kijkt. Niets aan gebeurd, en precies dat is het probleem. Wat er verveelt is niet het onderwerp, want dat is er niet; het is het gebrek aan oppervlak.
De praktische toets in de winkel duurt vijf seconden: ga schuin voor het werk staan, onder een graad of veertig, en kijk of er iets gebeurt. Blijft het beeld exact hetzelfde als recht van voren, dan hangt het straks thuis ook stil aan je muur.
Wat een figuratief werk in een kamer doet
Een figuratief werk geeft de kamer een onderwerp. Dat klinkt als een open deur, maar het heeft een gevolg dat je pas merkt als het er is: mensen praten erover. Kinderen wijzen ernaar. Bezoek dat voor het eerst binnenkomt, heeft iets om naar te kijken in die eerste ongemakkelijke minuut voordat iedereen zit.
De wall art met een chihuahua met gouden hartjesbril van 100 bij 100 cm doet dat werk in een hal of een toilet, waar iemand hooguit twintig seconden staat en er dus geen tijd is om uitgekeken te raken. Hetzelfde geldt voor de panda van 118 bij 130 cm met twee ronde spiegelglazen als zonnebril: dat is een grap die één keer per bezoek landt en verder geen aandacht vraagt.
Op de wand waar je zelf elke avond naar zit te kijken, ligt dat anders. Daar wordt precies dat gesprekseffect een last, want de grap is na de derde week uitverteld.
Waar figuratief scheef gaat
Figuratief werk gaat zelden mis omdat het figuratief is. Het gaat mis op twee andere manieren.
De eerste is formaat. Een landschap of een stadsgezicht op 40 bij 50 cm boven een bank van 2,4 meter leest niet als kunst maar als poster, omdat het onderwerp op die afstand uiteenvalt in vage vlekjes. Abstract werk overleeft een te klein formaat een stuk beter, omdat er geen detail is dat verloren kan gaan.
De tweede is concurrentie. In één zichtlijn kan er maar één ding een onderwerp zijn. Hangt er een figuratief werk boven de bank terwijl er schuin ertegenover een open keuken of een groot televisiescherm zit, dan verliest het werk die strijd elke keer. In een kamer met een rustige lange wand en weinig visuele drukte wint het diezelfde strijd moeiteloos.
En dan de reden die niemand hardop zegt: veel figuratief werk in huizen is nooit echt gekozen. Het is de skyline van een stad waar iemand ooit een weekend was, of een motief dat toevallig bij de vloer paste. Dat werk hangt er tot de eerste verbouwing en verdwijnt dan geruisloos naar zolder. Dat gebeurt overigens met de helft van de wanddecoratie in een huis; hoe zo'n opruiming eruitziet staat in het stuk over opnieuw inrichten na een aantal jaren.
De tussenvorm die ik het vaakst zie werken
Er is een categorie die tussen beide kampen in valt en die in de praktijk de langste houdbaarheid heeft: werk met een herkenbaar onderwerp dat geen verhaal vertelt.
De Wall art Danni van 80 bij 80 cm is daar een schoolvoorbeeld van. In een zwarte lijst met gouden rand staat één miniatuur gouden sculptuur midden op een wit mat vlak. Je ziet meteen dat het iets is, en tegelijk valt er niets uit te leggen. De Wall art Hanna doet hetzelfde met een gipsen figuurtje in een shadow box van 80 bij 80 cm.
Tekst hoort in dezelfde familie. De Wall art LOVE van 55 bij 55 cm in zwart en goud heeft een onderwerp van vier letters, en die vier letters zijn in één blik gelezen en daarna gewoon vorm. Dat is precies waarom zo'n werk het volhoudt naast een kapstok of in een gang.
Wat lamplicht met allebei doet
De keuze tussen abstract en figuratief verandert zodra de zon weg is, en daar wordt in de winkel nooit over nagedacht.
Figuratief werk vraagt vlak licht van voren. Valt er van bovenaf een spot op, dan krijgt het onderwerp schaduwen die er niet horen en gaat een gezicht of een dierfiguur er anders uitzien dan bedoeld. Abstract werk met reliëf wil juist strijklicht en wordt van vlak licht saai: de textuur die het werk interessant maakt, is dan letterlijk niet te zien.
Praktisch betekent dat: hangt er al een wandlamp of een spot schuin boven de wand, dan is dat een argument voor iets met oppervlak. Krijgt de wand alleen het gelijkmatige licht van een plafondlamp of van het raam ertegenover, dan komt een figuratief werk beter tot zijn recht. Hoe die schaduwen zich over een muur bewegen staat uitgebreider in licht en schaduw op een muur.
Hoe ik zelf zou kiezen
Mijn stelling in één alinea: kies op de wand, niet op het kamp waar je jezelf in indeelt.
Voor de wand waar je elke dag minuten achtereen naar kijkt, meestal die tegenover de bank, zou ik iets nemen met materiaal en oppervlak. Of dat abstract is of een sculptuur in een lijst maakt me minder uit dan of er iets te zien blijft als het licht draait. Voor de wanden waar je langsloopt, de hal, de gang, de trapopgang, zou ik juist figuratief nemen: daar is twintig seconden aandacht genoeg en daar mag iets grappig of uitgesproken zijn.
En als je twijfelt tussen twee werken die allebei goed zijn: neem het werk dat je niet in één zin kunt navertellen. Dat is de enige regel uit dit stuk waar ik in de praktijk nooit spijt van heb gehad. Welke maat en welke toon daarbij horen, staat in kunst kiezen voor je interieur; het volledige aanbod aan wanddecoratie is daarna een kwestie van kijken tot er iets blijft hangen.








